Terug naar de beginpagina

MODELSPOORWEGBOUW

Hoe het allemaal begon
Hoe gaan wij beginnen
Kiezen van een onderwerp
De schalen per stuk bezien
Welke schaal, welk merk
Welk systeem
Welk tijdperk
Het thema (plannen)

> Het Sporenplan

Ontwerpen
Het station
De bouw van de spoortafel


Modelspoorwegbouw


Het sporenplan

De meeste merken geven wel sporenplannenboeken uit waaruit u kunt kiezen en waar exact bij staat hoeveel stukjes rails u van welke lengte nodig heeft. U hoeft alleen nog maar naar de winkel te gaan, uw bestelling op te geven, en thuis de puzzel in elkaar te zetten. Kinderlijk eenvoudig toch?

Alhoewel u slechts direkteur bent van een modelspoorbedrijf dient u net zoals in de werkelijkheid ook zo economisch mogelijk te werk te gaan en dan blijkt dat de fabrieks-sporenplannen soms uit nodeloos ingewikkelde en dure emplacementsconstructies bestaan die in werkelijkheid nooit zo zouden voorkomen. Neemt niet weg dat u deze sporenplannen als leidraad zou kunnen gebruiken bij het bouwen van uw modelspoorbaan. Op de eerste pagina’s van deze boeken staat vaak veel over de systematiek van de rails van het door u gebruikte merk. Maar blijft u daarbij kritisch.

Onderstaand geven wij u een voorbeeld uit een sporenplannenboek en hoe het ook anders kan.

naamloos-1

Vergelijkt u eens het eerste plaatje uit een sporenplannenboek en de tweede 'oplossing'. Zoals u ziet blijven er dezelfde sporencombinaties mogelijk, echter de gewone kruising wijzigt in een kruiswissel, waardoor u twee wissels kunt laten vervallen.

Bij het grootbedrijf worden bij de aanleg van trajekten een aantal vuistregels gehanteerd en die ook voor de modelspoorbaan kunnen gelden. De belangrijkste noemen we hier;

1. Maak zoveel mogelijk rechte trajecten. Het zal niet meevallen, omdat de ruimte beperkt is.
Maar de fabrieksbochten in een modelbaan zijn te scherp en doen onnatuurlijk aan. Probeer deze te verbergen achter huizen, bossen of in tunnels e.d.

2.Doorgaande treinen in stations moeten altijd over recht liggende wissels rijden. In de hoofdbaan liggen dus alle wissels recht. Tevens moeten in de hoofdbaan zo weinig mogelijk wissels liggen. Wissels in rechtstand mogen harder bereden worden dan afbuigende wissels en hoe minder wissels in de hoofdbaan des te minder oponthoud en storingen. 1 aftakkend spoor kan dan leiden naar opstelsporen, rangeerterreinen e.d.

3. Het is altijd handig om op stations een 'inhaalspoor' te hebben. Hierdoor kunnen sneltreinen het station passeren terwijl de stoptrein aan het perron staat. Soms zijn er drie sporen tussen de perrons, waarbij het middelste spoor gebruikt wordt om te passeren. Kijk maar eens bij Amsterdam Centraal.

4. Zeker wanneer u gebruikt maakt van flexibele rails is het raadzaam de bogen niet direct scherp te laten beginnen. Ook in het grootbedrijf is er een 'overgangsboog' alvorens de boog steeds scherper wordt. En ook op het grensgebied van de bocht naar weer het rechte stuk moet de bocht eerst flauwer worden.

5. Netzoals met de bogen moet ook bij het toepassen van een helling gedacht worden aan een overgang van vlak naar steil. Maar hoe steil kan dit dan zijn? Gat u ervanuit dat dit niet meer dan 3% mag zijn. Dus op 1 meter afstand niet meer dan 3 centimeter stijgen. De meeste lokomotieven kunnen dan moeiteloos een reeks wagons de helling op trekken. Zeker wanneer ze voorzien zijn van rubberen slipbanden.
Maar indien u het zich qua ruimte kunt permitteren is een minder steile helling te prefereren. Om sporen over elkaar heen te leggen is in de HO schaal toch al gauw een hoogte van bijna 8 cm benodigd. Bij een helling van 3% is dan al een helling nodig van bijna 3 meter! Om de helling niet te lang te maken zou u het onderliggende spoor kunnen verlagen waardoor beide sporen nog maar een verschil van 4 cm (boven en onder is samen 8cm) hoeven te overbruggen.


Next